
Granaatappels komen oorspronkelijk uit Perzië en worden al eeuwenlang verbonden met allerlei culturen en religies als een symbool van vruchtbaarheid. De granaatappel stamt uit het Midden-Oosten en behoort botanisch gezien tot de bessen. Van de granaatappel zijn alleen de zaden of eigenlijk het omhulsel daarvan, in culinair opzicht van belang.
Een granaatappel die zwaar aanvoelt voor zijn grootte, zit waarschijnlijk vol sap. Kies bij voorkeur de glanzende vruchten en negeer vruchten met een harde of droge schil. Granaatappels zijn in de koelkast een week houdbaar.
Om granaatappelpitten uit de vrucht te halen, snijdt u de vrucht door en trekt u de vrucht uit elkaar. Druk de zaden naar buiten en vang ze op.
De granaatappel kan puur gegeten worden en gebruikt worden voor sappen of als garnering. De zaadjes zijn fraai op bijvoorbeeld een fruitsalade of als decoratie voor een romig dessert, op ijs of een kaastaart. Ze smaken vooral lekker in combinatie met amandelen en vormen een heerlijke garnering voor couscous. In India en Pakistan worden ze ook gebruikt in vleesgerechten. Verder kan de granaatappel worden gebruikt voor sappen; pers het sap voorzichtig uit met behulp van een handmatige citruspers, met een elektrische pers verpulvert u de zaadjes wat het sap bitter maakt.
Het sap geeft vlekken die nauwelijks te verwijderen zijn, dus opgepast met morsen.
In de Midden-Oosterse keuken worden ook gedroogde granaatappelpitten gebruikt.

